20 september 2023
Handjeklap
01 november 2020
Failliet
Na
de melkveehouderij gingen mijn ouders over op het houden van fokvarkens en later weer
lag het accent op mestvarkens. Er werd gekozen voor de beste mogelijkheden die
pasten bij de situatie van dat moment.
Vandaag lees ik in Dagblad De Tijd van 14 januari 1933 dat het boerenbedrijf van mijn opa: Aalbert van Deelen sr., wonende in het buurtschap Emmikhuizen in Renswoude, op 11 januari 1933 failliet is verklaard. Een gezin met zes thuiswonende kinderen staat op straat en vindt een jaar lang onderdak bij het gezin van een van de getrouwde kinderen in Driebergen-Rijssenburg. Daarna pakt hij een nieuwe kans en begint een nieuw bedrijf in Randwijk.
De boerderij van mijn opa is een van de ontelbare bedrijven die wereldwijd ten onder ging als gevolg van een crisis die de grootste economische crisis van de twintigste eeuw wordt genoemd.
21 september 2017
Hij zou zijn pet wat rechter op zijn hoofd hebben gezet
15 juni 2016
Het Klaphek - Meid op Het Klaphek
Ik verdiende Hfl. 14,00 per week, met kost en inwoning. Aan het einde van het half jaar kreeg ik mijn loon van de afgelopen 6 maanden. Van het geld hoefde ik niets thuis af te geven. Eens per 14 dagen had ik een dag vrij. Dat was vanaf zondagmorgen tot maandagmorgen.
Als eerste spaarde ik van mijn salaris een nieuwe fiets. Het was een HS (Hendrik Schimmel) voor Hfl. 198,00. Ik heb er helaas niet lang plezier van gehad.
Mijn werkdag was gevuld met het 2 keer melken van de koeien en het 2 keer voeren van alle beesten. Ik zorgde dat het in huis schoon en opgeruimd was, zorgde voor de koffie, het eten en de was. Ook werkte ik in de tuin en 's zomers ging ik mee hooien. Rond elf uur 's avonds ging ik slapen.
Er werd vier keer op een dag gegeten: 's morgens na melkens- en voertijd werd er brood gegeten. Als broodbeleg was er kaas en wat zoetigheid: meestal bruine suiker. Tussen de middag was de warme maaltijd. 's Avonds na melkens- en voertijd werd er opnieuw brood gegeten. Voordat iedereen ging slapen, was er nog een bord met pap. Ik mocht als meid altijd met het gezin meeëten. Bij sommige boeren moest je apart eten als er visite was.
Nu zijn er overal machines voor, maar in die tijd was dat nog niet aan de orde. Wel was er op de boerderij al elektriciteit en er werd in de zomer op een elektrische kookplaat gekookt. Daarnaast werd er gebruik gemaakt van het op kolen gestookte fornuis.
Onze tractor was een paard en wagen of een fiets met kar. Daarop zette ik de melkbussen om te gaan melken. Van een melkmachine, laat staan een melkrobot, was geen sprake. De eerste melkmachine werd in 1963 aangeschaft. In mijn tijd werden de koeien een voor een met de hand gemolken. Tussen het kalveren door gaf een koe zo'n 500 tot 600 liter melk. De melk ging in bussen. Deze bussen werden langs de weg gezet en elke dag opgehaald door de melkrijder die ze naar de melkfabriek bracht. In de zomer kwam de melkrijder twee keer langs, in de winter één keer. De boter werd zelf gemaakt met behulp van een karnton.
Naast zo'n 20 koeien, wat jongvee en ongeveer 60 fokvarkens, waren er een paard, kippen, honden en katten op de boerderij.
Koelkast en diepvries waren nog toekomstmuziek. Wel werd er dankbaar gebruik gemaakt van kelders om etenswaren goed te houden. Groenten en fruit kwamen uit de moestuinen en boomgaarden rond de boerderij. Snijbonen, sperziebonen en andijvie werden met zout ingemaakt en bewaard in Keulse potten. Ook werd er veel geweckt.
De slager kwam af en toe aan huis om een varken te slachten. Het varken werd hiervoor aan een ladder gehangen. Om het vlees te kunnen bewaren werd het gezouten, gedroogd aan het plafond of gerookt. Karbonades en gehakt werden geweckt. Bij de dominee werd na elke slacht een hutspot gebracht. Ook werden er hutspotten aan familie uitgedeeld.
Aan huis werden melk, eieren en fruit verkocht aan de mensen uit het dorp. De meeste appels, peren en pruimen werden geveild.
In de lente was er grote schoonmaak. Kleding, linnengoed, meubels en de veren of kapokken schudmatrassen gingen naar buiten om te luchten, in de was gezet of uitgeklopt te worden. Op de slaapkamers lag zeil. Daar werd de vloer gezwabberd. In andere kamers lagen kokosmatten. Die werden eens per week buiten uitgeklopt en door de week met een berkenbezem geveegd. In het najaar werd de schoonmaak nog een keer dunnetjes overgedaan.
In het voorjaar werd elk jaar op een doordeweekse dag een familiedag georganiseerd voor kinderen, kleinkinderen, broers en zussen. Het was een traditie om voor de familie nieuwe aardappels met zoute vis, botersaus en mosterd te koken. Het toetje was rijstepap met bruine suiker.
In 1953 overleed de boer van Het Klaphek. Er werd volgens gebruik een doodaanzegger ingeschakeld om het overlijden in het dorp en bij de familie bekend te maken. De kerkklokken werden geluid. Op de boerderij werden, als teken van rouw, alle luiken gesloten. In de buurt en langs de route naar de begraafplaats werd 1 luik gesloten. Maar op de dag van de begrafenis sloot men ook daar alle luiken. Tijdens de wandeling van de kerk naar de begraafplaats luidden de kerkklokken. Het laatste wordt tot op de dag van vandaag in Randwijk gedaan.
In februari 1954 stopte ik als meid; ik werd boerin op Het Klaphek."
14 februari 2016
Mooier kunnen we het niet maken
15 november 2014
Mijn moeder had elk jaar een vergadering met Sinterklaas
Voor de gelegenheid werd het melkstel tevoorschijn gehaald en werd voor ons een beker hete chocolademelk ingeschonken.
En dan maar wachten… , luisteren…, adem in…. Gelukkig: daar was de verlossende bel. Wij renden naar de voordeur, deur open en daar stond het grote pakket van Sinterklaas. Dankjewel Sinterklaas riepen wij keihard, maar wij zagen alleen de pikdonkere nacht.
Mijn vader was gelukkig inmiddels klaar. Nu kon hij ook meedoen met het feest.
31 januari 2007
OVER DE FAMILIE VAN DEELEN
De familie woont in de zeventiende eeuw in Barneveld. Jan Tonis en Timietgien Lamberts zijn met hun gezin bewoners van achtereenvolgens hofstede Roseler ofwel Rootselaar (in elk geval tot en met 1665), gelegen in het buurtschap Esveld ten zuidoosten van Barneveld op de weg naar Lunteren en Klein Crumselaer, de laatste ook gelegen in de buurtschap Esveld bij Barneveld, aan de Barnseweg 75 of iets verderop in oostelijke richting aan de Donkervoorterweg 3 in Barneveld.
Gijsbert Jansen en Fijtjen Willems wonen waarschijnlijk op Klein Crumselaer in Barneveld. Deze boerderij wordt vermeld bij het huwelijk van dochter Gijsbertje en zoon Tijmen.
Tijmen Leendertsen en zijn vrouw Niesje Aalbertsen Zevenhuizen wonen met hun gezin in de achttiende eeuw in Otterlo. Tijmen en Niesje krijgen samen zes kinderen. Als je kijkt naar de geboorteplaatsen van hun kinderen, dan verhuizen ze telkens binnen Otterlo: van Deelen naar Eschoten, naar Oud Reemst. De naam Tijmen Leenderts wordt genoemd in een overzicht van huisbezoeken in de buurtschappen Wekerom en Roekel van ds. M. Jongeneel uit 1796. Over de kinderen is te melden dat in 1826 Willempje in Ede woonde, Hendrikje in Renkum, Leendert in Bennekom en Luut op de Ginkel.
Tijmen overlijdt op 61-jarige leeftijd in Otterlo op 26 november 1803. Niesje, waarover ook wordt vermeld dat zij spinster is, overlijdt als zij 71 jaar oud is op 6 februari 1824 in het huis van haar dochter Hendrikje in Renkum. In haar memorie van successie wordt vastgesteld dat er geen onroerende goederen worden nagelaten en dat de roerende goederen bestaan uit wat kleding.
Aalbert is eerst dagloner, later landbouwer van beroep.Hij trouwt als hij 27 jaar is op 4 augustus 1799 in Renswoude met de 24-jarige uit Voorthuizen afkomstige Hendrikje Cornelissen Kremer, dochter van Cornelis Gerrits Kremer en Jannigje Zevenhuizen. Hendrikje is spinster van beroep. Aalbert en Hendrikje krijgen samen elf kinderen. De oudste dochter Jannigje wordt te Drieënhuizen/Lunteren geboren. De andere kinderen: Tijmen, Cornelis, Luutje, Aalbert, Johannes, Niesje, Jan, Gerritje, Jan en Hendrik worden in Ederveen geboren. Aalbert Tijmensen van Deelen woont met zijn vrouw Hendrikje Cornelissen Kremer op een boerderij tussen Ederveen en Renswoude. Aalbert en Hendrikje wonen rond 1820 volgens de minuutplans van het Kadaster, in de gemeente Ede, sectie G, blad 2 op perceelnummer 508. Dit moet zijn direct naast het Fort aan de Buurtsteeg (nu Klompersteeg) op het punt waar de weg Dijkje overgaat in Onderweg. Aalbert overlijdt als hij 50 jaar is op 7 september 1822 om 1 uur in de morgen in Renswoude. Hij woont op dat moment op huisnr. 136.
Hun tweede kind Tijmen overlijdt in militaire dienst op 20 april 1835. Hun tiende kind Jan is volgens de persoonskaart militair van de infanterie 14e afdeling. Deze afdeling is in die tijd actief in het zuiden van Nederland.
Hendrikje overlijdt op 72-jarige leeftijd in Ede op 16 augustus 1849.
Johannes van Deelen wordt in Ederveen geboren als zoon en zesde kind van Aalbert Tijmensen van Deelen en Hendrikje Cornelissen Kremer. Hij wordt op 23 oktober 1808 gedoopt in de Gereformeerde Gemeente te Renswoude. Johannes is landbouwer van beroep. Johannes van Deelen is voor de Nationale Militie ingeschreven als schutter, onder nummer 120 van de lichting 1827, maar wordt niet opgeroepen om zijn dienst te vervullen. Als signalement van Johannes wordt vermeld: lengte 1 el en 720 strepen (1.72 m.), aangezicht ovaal, voorhoofd laag, ogen bruin, neus gewoon, mond gewoon, kin rond, haar bruin, wenkbrauwen bruin, merkbare tekenen geen. Op 25 december 1837 geeft de Majoor kommanderende het 2e bataljon van de Schutterij van Gelderland schriftelijk toestemming voor een huwelijk. Deze schriftelijke toestemming is in die tijd nodig. Johannes trouwt als ongeveer 29-jarige op 30 december 1837 met de 22-jarige uit Ede afkomstige Jacoba Robbertsen, dochter van Teunis Robbertsen en Gerritje Koppeling. Johannes en Jacoba krijgen samen acht kinderen. Aalbert, Teunis, Tijmen, Gerritje, Hendrikje, Jannigje, Jacoba en Johanna worden allemaal in de Gemeente Ede geboren, waar het gezin woont in Ederveen. Midden negentiende eeuw wonen zij in Renswoude op boerderij Ravenhorst. Zoon Teunis, die de naam Van Delen draagt, is vanaf 24 april 1860 tot 26 april 1865 ingelijfd bij het 1e regiment infanterie. Hij trouwt met Jannetje Veldhuizen uit Renswoude, haar ouders woonden op boerderij De Wolfshaar. Het echtpaar gaat op 29 februari 1868 in het Tolhuis op de weg van Renswoude naar Barneveld wonen. Later gaat daar opnieuw familie (Pater-van Deelen) wonen. Op 28 december 1876 verhuist het echtpaar Van Delen-Veldhuizen naar boerderij de Holzenbosch in Voorthuizen. Rond 1920 brandt die boerderij af. Teunis is dan oud en slecht ter been en wordt op een leunstoel het brandende huis uit gedragen en in de boomgaard ernaast neergezet. Op de plek van de boerderij is een nieuwe boerderij gebouwd. Op 23 juni 1879 passeert bij notaris Van den Ham te Lunteren een notariële akte. Daarin worden aan Tijmen, Jannigje en Johanna "bij vooruitgenieting" bedragen gelegateerd. Tijmen ontvangt 500 gulden, Jannigje en Johanna ontvangen beide 250 gulden. Na overlijden van Jacoba zou de rest van het legaat aan Johannes, haar echtgenoot, ten deel vallen. Jacoba overlijdt op de leeftijd van 75 jaar op 11 september 1890 in Ede. Op 30 december 1890 passeert een notariële akte bij notaris Gerrit Jan Wilbrink te Lunteren. Hierin wordt het volgende vastgelegd: Johannes van Deelen, landbouwer, Ederveen verkoopt aan zijn (op dat moment) ongehuwde kinderen: Tijmen, Jannetje en Johanna van Deelen - de helft van:
1. een boerenhofstede, gelegen in het Ederveen onder Ede bestaande in huis en verder getimmerte met erf en tuin, bouwland, weiland, wegen, bomen en houtgeissen, tezamen groot 12 ha. 70 aren en veertien centiaren, kadastraal bekend gemeente Ede sectie G, nummers: 257, 437, 577, 578, 579, 580, 582 , 583, 584, 585, 586, 587, 588, 589, 590, 594, 595, 1004, 1006, 1128, 1129, 1130, 1138, 1139, 1140, 1141, 1142 en 1143;
2. de eigendom van het stukje grond, gelegen in het Ederveen onder Ede, belast met het recht van opstal ten behoeve van Harmen Dekker, kadastraal bekend gemeente Ede sectie G, nummer 1005, huis en erf, een are en 40 centiaren;
dit alles voor een bedrag van 3.000,-- gulden.
Op 27 februari 1891 passeert onder nummer 1723 een notariële akte bij notaris Gerrit Jan Wilbrink te Lunteren. Het gaat om de boedelscheiding van gemeenschappelijke goederen ten sterfhuize van Jacoba Robbertsen, gewoond hebbende in het Ederveen in huis E499. De boedelscheiding betreft de boerenhofstede in het Ederveen, bestaande in huis en verdere getimmerten, erf, tuin, bouw- en weiland, wegen, bomen en houtgewassen. De locatie hiervan is Ede sectie G, zoals hiervoor beschreven bij de akte van 30 december 1890. De boerenhofstede heeft volgens de minuutplans van het Kadaster, gelegen in Ederveen, Gemeente Ede, sectie G, blad 2, perceel nummer 581, omgeving van Onderweg en de Straatweg van Arnhem naar Amsterdam (nu Renswoudseweg 15 in Ederveen), op de grens met de Gemeente Renswoude, Provincie Utrecht.
Aalbert van Deelen wordt op 23 november 1874 geboren in Renswoude als zoon en vijfde kind van Aalbert van Deelen en Wijntje Bos. Hij is landbouwer van beroep. Aalbert wordt op 7 maart 1894 ingelijfd bij het 1e Regiment Vesting Artillerie van de Nationale Militie te Utrecht. Op 10 februari 1898 geeft de Nationale Militie aan Aalbert toestemming voor het aangaan van een huwelijk. Aalbert is op dat moment nog dienende. Zijn signalement luidt: lengte 1 el en 600 strepen (1.60m.), aangezicht ovaal, voorhoofd laag, ogen grijs, neus gewoon, mond gewoon, kin rond, haar blond, wenkbrauwen blond, merkbare tekenen geen. Als 23-jarige trouwt hij op 5 maart 1898 met de 17-jarige eveneens uit Renswoude afkomstige en een aantal maanden zwangere Dirkje van de Pol, dochter van Sander van de Pol en Jannigje Veldhuisen. Getuigen bij het huwelijk zijn Johannes van Deelen, 28 jaar, landbouwer en broer van de bruidegom; Gerrit van de Pol, 57 jaar en oom van de bruid, Cornelis Eijkelkamp, 40 jaar, wagenmaker en neef van de bruid en Antonie Ulrich, 59 jaar en veldwachter. Ook de ouders van beiden ondertekenen de huwelijksakte. Aalbert en Dirkje krijgen samen 12 kinderen. Zij gaan na hun huwelijk inwonen bij de ouders van Dirkje op boerderij Daatselaar in Renswoude. Hier worden hun eerste twee kinderen Bart en Jans geboren; volgens de geboorteakten in huis nummer 193. Dit is het huis van de ouders van Dirkje. Zij wonen vanaf 3 maart 1900 aan het adres Doesburg 65, nu Schampsteeg 5 in Ederveen. In Ederveen worden hun kinderen Wijnand, San, Co en Det geboren.
Op 6 april 1909 zijn zij verhuisd naar Essen bij Barneveld en woonden op huisno. 246. Daar wordt hun zoon Arris geboren. Vanaf 24 februari 1910 gaan zij in Amerongen wonen aan de Dwarsweg. In Amerongen krijgen zij hun kinderen Bertha, Gerrit Cornelis, Gaert, Johannes en Ger. Gerrit Cornelis en Johannes overlijden daar op heel jonge leeftijd. Kinderen gaan in die tijd tot ongeveer hun 12e jaar naar school. De meeste kinderen van het gezin bezoeken in de twintiger jaren de lagere school in Overberg. Als leren niet je ding is: geen nood. Het hoofd van de school heeft een aardige tuin te onderhouden. Daar kun je je als leerling ook heel nuttig maken. Dat is de eigentijdse interpretatie van remedial teaching. Volgens de militieregisters wordt zoon Bart, 1.55 m lang, op 23 maart 1917 afgekeurd voor militaire dienst met als reden een voetgebrek. Jans, de oudste dochter van de familie, trouwt in 1930 met de laatste tolgaarder van Renswoude: Jan Pater. Zij bewonen het tolhuis aan de Barneveldsestraat 38. Hierna betrekt de familie Van Deelen de boerderij Emminkhuizen en pachten deze van baron Taets van Amerongen. Als in de jaren dertig (1930-1940) de opbrengsten sterk daalden, terwijl de pacht telkens stijgt, wordt een faillissement uitgesproken. Het verhaal gaat in die tijd dat je moet oppassen dat je niet met meer biggen thuis komt van de markt, dan je 's morgens meeneemt om op de markt te verkopen: om maar geen kosten meer te hebben aan het voer voor de biggen, is het voordeliger de biggen stiekem aan een ander mee terug te geven. Zoons gaan in die tijd voordat ze trouwen uit werken en dochters gaan dienen in een huishouden of worden verhuurd als meid op een boerderij.
En als er dan getrouwd mocht worden of moest worden, kijkt men rond of er ergens een "spulletje" beschikbaar is. Om aan de nodige inventaris te komen bezoekt men boelhuizen. Men helpt elkaar bovendien waar het maar mogelijk is. Van 1932 tot 1933 trekt de familie in bij dochter San in Driebergen-Rijssenburg op de boerderij aan de Engweg. Vervolgens verhuizen Aalbert en Dirkje met hun nog ongetrouwde kinderen Det, Arris, Bertha, Gaert en Ger naar Randwijk, waar een boerderij Het Klaphek kan worden gehuurd aan de Bredeweg 69. Zoals gewoonlijk en noodzakelijk werken de kinderen mee op de boerderij. Zo zijn dochters Bertha en Ger nog jaren behulpzaam bij het melken. Gehuld in lange rokken, met de knipmuts op en witgekalkte klompen aan, gaan zij melken achter de dijk op de weerden. De melkbussen en emmers worden vervoerd per fietskar. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kan er in de meidagen van 1940 geen melk worden geleverd aan melkfabriek Concordia in Wageningen. Om de melk toch kwijt te raken wordt op de boerderij boter gekarnd die aan de Randwijkse bevolking te koop wordt aangeboden. Er wordt in het najaar van 1944 in de omgeving van Randwijk zwaar gevochten. Zoon Wijnand komt in 1944 tijdens een bombardement in Arnhem om het leven. Net als vele andere Betuwse inwoners, evacueert de familie Van Deelen in die tijd naar Eindhoven en naar België. Het geëvacueerde buurmeisje van de familie Van Deelen: Dora Sanders, schrijft op dinsdag 13 februari 1945 een brief aan de familie. Hierin vertelt zij over hun leven op het evacuatieadres en komt het verlangen naar een snelle terugkeer naar Randwijk naar voren. Als het dan tijd is om terug te keren naar Randwijk blijkt de boerderij en de inboedel, net als de meeste andere huizen in Randwijk, flink vernield. De schuur is geraakt door een voltreffer.
In 1951 koopt de familie boerderij Het Klaphek.
Dirkje overlijdt, eveneens in Randwijk, op 18 juli 1967 op de leeftijd van 86 jaar.
Hij is landbouwer van beroep.





