26-01-06

Geschiedenis familie Evertsen - Generatie V

het bakhuis van boerderij De Kleine Goor in Stroe
Jan Evertsen (geboren 1849) en Aartje van Ee


Jan Evertsen werd op 5 augustus 1849 in Otterlo geboren als zoon en vijfde kind van Breunis Evertsen en Hendrikje Liefting.

Over Jan Evertsen is bekend dat hij twee oorringen droeg om beter te kunnen zien. Hij was landbouwer van beroep.

Uit een verklaring van de Nationale Militie, gedateerd op 22 november 1882, blijkt dat Jan in 1868 was ingeschreven onder nummer 109 voor de lichting van 1869, maar dat hij "buiten oproeping gebleven zijnde, het tot geen dienst heeft verpligt"

In de Militieregisters staat vermeld dat Jan 1 el en 605 strepen lang is (1.60 m), gezicht: ovaal, voorhoofd: gewoon, ogen: blauw, haar: blond. Daarnaast staat de opmerking "gebreken".

Jan trouwde als 33-jarige op 15 december 1882 in Barneveld met de 20-jarige Aartje van Ee, geboren op 14 maart 1862 in Barneveld als dochter van Dirk van Ee en Aartje van Essen. Jan en Aartje kregen samen tien kinderen, waarvan één kindje levenloos werd geboren.

Jan huurde de Grote Damakker in Otterlo tot 22 februari 1885, maar is blijkbaar vrijwel direct na de verkoop van deze boerderij naar Barneveld vertrokken. Vanaf 14 januari 1884 stond het gezin als inwoner van Barneveld ingeschreven op huisno. 123 te Stroe. Van 1884 tot 1890 stond Jan Evertsen genoemd als bewoner van boerderij De Kleine Goor, daarvoor genoemd het Smidshuijs, aan de Stroeërweg 39 in Stroe. Hendrikje (1884), Aartje (1885) en Breunis (1889) werden daar geboren. Dirkje (1891) werd geboren in Kootwijkerbroek, huisno. 283.

In de periode dat het gezin in Kootwijkerbroek woonde was de predikantsplaats van de Nederlands Hervormde Kerk lange tijd vacant. In deze vacante periode werden de kerkdiensten vaak voorgegaan door de Nederlands Hervormde dominee uit Bennekom. Deze kwam met paard en koets vanuit Bennekom naar Kootwijkerbroek en zijn paard werd dan gestald bij Jan Evertsen. Daar kreeg het paard haver en stro. De afstand Bennekom - Kootwijkerbroek was ongeveer 25 kilometer zodat het paard best wat voer gelust zal hebben. Als de dominee klaar was met de kerkdiensten keerde hij weer huiswaarts en zei dan steevast: “nou Jan, bedankt”. Na een aantal keren dit aangehoord te hebben, werd dit voor Jan toch wat hinderlijk en merkte hij op: ,,van bedankjes koopt mijn vrouw geen brood”. De dominee vroeg hem hierop wat hij hiermee bedoelde, waarop Jan antwoordde dat hij geen enkele vergoeding kreeg voor stalling en voerkosten. Volgens overlevering is dit nadien door de betreffende kerkenraad in orde gemaakt.

Over de Doleantie is een en ander te lezen in een artikel van de kroniek van Barneveld.
In de schenkingsoorkonde van de Bijbels van de preekstoel en van het voorzangersgestoelte van de Hervormde (?) kerk van Kootwijkerbroek staat het volgende te lezen:
“Schenkingsoorkonde Kootwijk Vrijdag 20 April 1891 Vrijdag 22 Mei Ds. J.H. Houtzagers.
“L.S. In den jare 1891 hebben de Synodale kerkvoogden den 20ste April, toen zi, Otto van Middendorp, Evert Blootenburg, Jan van Ee Theuniszoon, allen wonende te Kootwijkerbroek, de laatste vertegenwoordigd door Anne Willem Jacob Joost Baron van Nagell, Burgemeester van Barneveld aan de kerkvoogden der Ned. gereformeerde gemeente (doleerende) te Kootwijk Reyer van Buurik, Roelof Termaat en Jan van Ee Dz, allen wonende te Kootwijk,de laatste te Kootwijkerbroek, wederrechtelijk de Kerkelijke goederen ontnamen, zich niet geschaamd den folio Statenbijbel, die in 1821 (1811? ) aan de gemeente te Kootwijk was geschonken van den kansel te rukken; ook hebben zij den Statenbijbel van de voorlezerslessenaar geroofd. Op heden den 22ste Mei 1891 is in de behoefte van beide bijbels voorzien.” (bron: de kroniek van Barneveld van vrijdag 20 april 1891).

De kerkscheuring, waarvan sprake was in 1886, verdeelde de schoonfamilie van Jan Evertsen in twee kampen Mogelijk zijn deze meningsverschillen de reden geweest van het feit dat Jan Evertsen met zijn gezin in die periode is verhuisd naar Bennekom.

Het volgende verhaal geeft hierover misschien ook de verhoudingen weer. In een boek van de Historische Vereniging Oud Bennekom: “Echte Bennekommers komen vaak van elders” staat namelijk geschreven:
"Jan Evertsen en zijn vrouw Aartje van Ee wonen vanaf 1890 in bij haar moeder, Aartje van Ee – van Essen, in de boerderij “De Nieuwe Top” in Kootwijkerbroek. Aartje van Ee-van Essen overlijdt op 2 januari 1891. In september 1891 besluiten de erfgenamen van het echtpaar Van Ee-van Essen de hofstede te veilen. Het echtpaar heeft 9 kinderen. De oudste zoon, Jan van Ee, is de hoogste bieder met fl. 6290,-.

Jan Evertsen heeft de boerderij “De Nieuwe Top” gehuurd voor fl. 225,- per jaar. Hoewel de huur pas eindigt op 22-2-1893, vindt er een boedelscheiding plaats op 09-06-1892. Jan en Aartje vertrekken uit Kootwijkerbroek op 10-11-1892. Vanaf 21-11-1892 staat het gezin ingeschreven in de gemeente Ede. Zij wonen eerst in de Kraats aan Rijnsteeg 3, de Zumpel, en kopen in 1923 het pand Rijnsteeg 1.”

Vanaf 21 november 1892 tot 1920 woonde het gezin in Bennekom, op het adres Kraats 29, later omgenummerd in Kraats 44. De kinderen Harmijntje (1894), Teunisje (1895), Teunis (1896), Jan-Willem (1898) en Evert (1903) werden op dat adres geboren.

De scheuring was ook in Bennekom aan de orde. Ook na het stichten van de Gereformeerde school aan de Rijnsteeg in Bennekom, weigerde Jan Evertsen zijn kinderen naar deze school te laten gaan, ook al woonde hij er met zijn gezin naast. De kinderen gingen naar school in Bennekom-dorp: dat betekende twee uur per dag lopen.

In de notariële archieven van de Gemeente Ede staat een aantal akten op naam van Jan Evertsen als het gaat om de verkoop van turf. Ook is er een akte betreffende de verkoop van gras.

Jan Evertsen stond in zijn dagen erom bekend nogal een groot gevoel voor humor te bezitten en zette dit dan over in een puntdicht. Zo is er nog één puntdicht bekend over een nogal domme boer in Bennekom, wiens zeug niets van de beer wilde weten en op aanraden van een buurman het achterste van deze zeug bewerkte met een gloeiende pook. Dat dit varken na deze behandeling geen belangstelling meer had voor de beer; dat mag duidelijk zijn. Voor de goede orde en privacy bescherming is de naam van de genoemde boer verzonnen. Het gedicht ging als volgt:
Geert van Aart heeft ondervonden,
hoe men leert met schade en schand,
met zijn eigenwijze vonden,
heeft hij het varken de reet verbrand.

In deze periode werd het gezin van Jan Evertsen verrast met de geboorte van een ongewenst aantal katten die door moeder-kat op een afgelegen plaats werden gebaard en pas tevoorschijn kwamen toen ze al wat ouder waren. Er werd besloten een aantal van deze in een met stenen verzwaarde zak in het water te gooien en te verdrinken.

Éen van deze wist echter hieruit te ontsnappen. Deze kat werd hierna steevast Mozes genoemd ("want ik heb hem uit het water getogen"). Deze Mozes leidde nadien een huiselijk leven, totdat iemand de naam Mozes liet vallen. Toen was de kat enkele dagen nergens te bekennen en verbleef vermoedelijk die periode in het land van Midian.

Ook werd er een gasklok gekocht en geïnstalleerd om methaangas te winnen voor het koken van de maaltijden. Deze gasklok werd in een moddersloot gezet en door regelmatig flink erin te roeren ontsnapte er methaangas uit de modder, wat dan in de klok werd opgevangen en van daaruit naar een kooktoestel werd geleid. De geïnstalleerde klok werkte wel, maar was in de praktijk erg onbetrouwbaar wat de opbrengst betreft, zodat het geen goed alternatief was voor de dagelijkse voedselbereiding. De enige die uit deze methode een goed resultaat behaalde was de installateur. In de omgeving van Bennekom waren er namelijk veel van deze installaties geplaatst, maar geen van dezen zijn langere tijd in gebruik geweest.

Begin 1900 werd het gebruik van kunstmest in de landbouw populair en werd deze meststof ook in de omgeving van Bennekom veel gebruikt. De aanvoer van kunstmest vond plaats aan het Benedeneind in Bennekom door middel van een praam, in zakken van 100 kilo per stuk. Deze zakken werden met handkracht gelost vanuit de praam in de Grift. Daarna werden ze via een houten ladder aan wal gebracht en op een kar of wagen geladen. Nu stond de familie Evertsen niet bekend om hun lichaamslengte en schouderbreedte, maar ook deze werkzaamheden werden door hen gedaan. Hoezo ARBO-wetgeving die aangeeft dat je maximaal 20 kilo mag tillen?

Op 20 april 1915 maakt Aartje van Ee een testament op bij Notaris Mr. W.F.J. Fischer jr. waarin zij Jan Evertsen aanwijst als haar enige erfgenaam. Jan doet dit andersom ook voor Aartje. In de notariële archieven van de Gemeente Ede zijn deze te vinden als akte nummers 1115 en 1116. Ook is als akte 1179 een hypothecaire lening uit 1915 bekend. Het gaat hier om een weiland van ongeveer 2 hectaren aan de Rijnsteeg in Bennekom.

Aartje overleed op 7 januari 1921, op 58-jarige leeftijd in Ede. 

Vanaf 1923 stond Jan ingeschreven op het adres Kraats 42, later omgenummerd in Kraats 49. Dit laatste adres is nu Rijnsteeg 1 in Bennekom.

Na het overlijden van Aartje vormden Jan en zijn jongste zonen een mannenhuishouden. Aartje Groeneveld, de toen 13-jarige kleindochter van Jan, sprong bij als hulp in de huishouding. Toen Teunis Evertsen en Willempje van den Brink in 1928 trouwden, nam Willempje de huishoudelijke  taken en het verzorgen van, de intussen 78-jarige en dementerende, Jan op zich.

Jan Evertsen was inmiddels aardig op leeftijd toen zoon Jan Willem hem in de tuin aantrof. Hij was een flinke kuil aan het graven. “Wat ben je aan ’t doen pa?” vroeg Jan Willem. Waarop zijn vader antwoordde: “Ik ga een appelboom poten; een zeute appel; ik wil voor me zelf ok wat hèn.” Jan hield blijkbaar van een zoet appeltje en heeft er ook nog van kunnen genieten. Jan Willem vertelde later dit verhaal aan zijn kinderen als zij dachten dat iets geen zin meer had. 

Jan overleed op 15 april 1936, op 86-jarige leeftijd, in Bennekom.

Evert Weijman (Eef) was getrouwd met Hendrikje Evertsen (Hein). Evert was landbouwer en fruithandelaar. De fruithandel bestond uit het kopen van kersen, pruimen, peren en appelen uit boomgaarden (bongerd) in de Betuwe. Je liet een aantal plukkers het fruit plukken en het werd vanuit een kraampje in de bongerd verkocht.

Als je bij Evert in de bongerd was, dan mocht je naar hartelust eten van al het fruit dat op de grond was gevallen. Wanneer er niet genoeg op de grond lag, dan schudde Evert graag eens flink aan de boom. Aangemoedigd door ome Eef deed een van de kinderen Evertsen zich eens tegoed aan een grote hoeveelheid pruimen. De gevolgen van deze overvloed aan pruimen lieten niet lang op zich wachten, waarop de gulzige eter letterlijk afdroop.

Evert en Hendrikje hadden een oud paard. Evert besloot dat het tijd werd een ander paard te kopen. Het oude paard werd verkocht aan de paardenslager. Deze gaf, naar goed oud gebruik, een deel van dit vlees weer terug aan de familie Weijman. Maar Evert lustte, naar eigen zeggen, geen paardenvlees. Hendrikje bereidde in het geheim het vlees en bood het aan bij het eten. Evert at er goed van, waarop Hendrikje vroeg hoe het vlees hem had gesmaakt. Evert bleek het erg lekker te hebben gesmaakt, waarop Hendrikje de herkomst van het vlees onthulde. Evert rende daarop naar buiten en braakte alles uit. 

Het volgende verhaal is afkomstig uit Kostersteen nr. 84 van de Historische Vereniging Oud-Bennekom en geschreven door Riet Hoogkamer-Weijman:
Mijn opa, Evert Weijman, was boer en slachtte ieder jaar wel een of meerdere varkens. Zo ook in oktober 1950. Een van z'n varkens zou geslacht worden, maar was niet helemaal gezond. Toch werd het varken goedgekeurd voor de slacht. Nu was opa ook jarig in die tijd, om precies te zijn op zaterdag 21 oktober, en veel van zijn kinderen en kleinkinderen bleven eten. Op de broodjes natuurlijk lever, hoofdkaas, bloedworst, ham en wat er meer aan broodbeleg gemaakt was van het varken. De volgende dag, zondag, gingen wij zoals gewoonlijk naar de kerk. De een na de ander verliet echter ziek de kerk voordat de dienst was afgelopen. In de loop van de dag werden we al maar zieker en zieker. Ook ooms en tantes, neefjes en nichtjes die waren blijven eten werden ziek. De volgende dag werd dokter Kan ontboden en bleken we paratyfus te hebben. Jawel.....van het zieke varken. ln ons gezin lagen boven acht mensen ziek te bed: mijn ouders, hun vijf kinderen en de vriendin van hun oudste zoon. Dus kwamen dokter Kan en wijkverpleegster zuster Nel gezamenlijk poolshoogte nemen van de situatie en daalden daarna in gezelschap van mijn moeder de trap weer af. Nou lag er bij ons onder aan de trap een kleedje op een ondergrond van zeil. Zuster Nel stapte op het kleedje en ging in haar volle lengte onderuit. Terwijl ze door dokter Kan overeind werd geholpen mopperde ze'. "Zijn ze doodziek, boenen ze nog de vloer!" 

Zoon Breunis (Breus) Evertsen mocht in zijn jonge jaren met een aantal jagers mee op drijfjacht in de omgeving van de Kraats in Bennekom. Tijdens deze jacht scheurde hij zijn broek op een nogal heftige manier. Dit was tot groot vermaak van de deelnemende jagers die hierop het lied aanhieven van het haveloze ventje dat in zijn broekie een scheur had. Breunis vond dit echter niet erg want hij kreeg van de jagers een beloning van 1 gulden; dit voor een dag jagen en een gescheurde broek. Moeder Aartje vond het waarschijnlijk niet zo heel erg geslaagd omdat de broek toch wel weer hersteld moest worden.

Het gezin van Dirkje (Det) Evertsen en Jan Willem (Jan) van den Berg  bezochten, in de tijd dat zij op de Quadenoord in Renkum woonden, in Renkum de Hervormde Kerk in de Kerkstraat. Als kerkgangers uit die buurt ’s morgens zagen dat Jan al ter kerke ging, dan klonk het: “opschieten, Boertje Berg fietst al langs”. 

Het gezin Van den Berg is later naar een boerderij in de kom van het dorp Randwijk verhuisd. Deze boerderij is, toen deze al leegstond, door kwajongens in brand gestoken. 
Van Jan is bekend dat hij Haarlemmerolie inzette als middel tegen allerlei kwalen. 
De schrijver van dit blog herinnert haar oudoom Jan zich met zijn Solex en een héél duidelijke stem, waar zij als klein kind best een bang voor was. Bij ons ging Jan als Boer Baarg door het leven.
Jan had in de huiskamer een aantal dankbetuigingen hangen wegens zijn getoonde moed tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tijdens operatie Market Garden heeft hij, met gevaar voor eigen leven, Britse en Poolse militairen in een roeibootje naar de overkant van de Rijn gebracht.

Teunis Evertsen moest als jongen eens met een koe naar de stier. Teunis liep met de koe aan een touw en broer Jan Willem liep er achter. Ze moesten over een zandpad met diepe sporen, die vol met water stonden. Plotseling zette de koe het op een lopen, waarna Teunis struikelde en in een van de sporen terecht kwam. De koe had flink de vaart erin, maar Teunis liet niet los met als gevolg dat hij liggend een aardig tochtje maakte terwijl de modder aan beide zijden opspoot.

Het houden van bijen is waarschijnlijk van Jan Evertsen overgenomen door zijn kinderen Teunis en Jan Willem. 

Jan Willem had na zijn geboorte een moeizame start op deze wereld, hij hield zijn voeding niet binnen en vermagerde zienderogen. Moeder Aartje was ten einde raad. Op tafel stond een plankje met een stukje gekookt spek en Aartje schrapte met een mes een beetje van het spek en stopte dat bij Jan Willem in zijn mondje. Dat bleek een goede vondst en zo is Jan Willem groot geworden.

Jan Willem kon goed leren en de hoofdonderwijzer kwam bij Jan en Aartje vragen of Jan Willem door mocht leren. Dat was een vraag waar over nagedacht moest worden.Toch werd toestemming gegeven om Jan Willem nog één jaar door te laten leren. Wanneer er later aan Jan Willem werd gevraagd of dat ene jaar nog zinnig was geweest, dan was zijn antwoord "alles wat je leert is zinnig en komt ooit van pas".

Jan Willem was in de oorlog 1914 – 1918 gemobiliseerd en ondergebracht in de Betuwe. De slaapzaal was heel groot en de kachel in het midden van de ruimte was niet toereikend. De soldaten hadden het koud en er was te weinig eten voor al die jongens. Wanneer Jan Willem avondpermissie had, dan reed hij samen met een maat op de fiets naar de Rijnsteeg in Bennekom. Moeder Aartje had dan een stevig maal voor hen. Zelfgebakken brood kregen ze mee, boter, spek en een metworst. Plus een stuk worst om eventueel de wacht mee om te kopen. Dan reden ze zo hard ze konden terug om de laatste pont te halen en op tijd binnen de kazerne te zijn. Zo bleef de omkoopworst in de tas. Het leek immers net oorlog en het was een moeilijke tijd.

Jan Willem nam in zijn jonge jaren, naast de hulp op de boerderij van zijn ouders, ook seizoenswerk aan door bij anderen te gaan maaien en oogsten. 

Later kwam hij in de gelegenheid een winkeltje over te nemen. Daarom kocht hij een strook land, tussen de Maanderdijk en een treksloot, die richting de Grift voerde. Hij bouwde samen met Maas Breeschoten daarop een pand. Dit pand werd ingericht  als magazijn en winkel voor Jan Willem. Voor Maas was er een winkel en fietsenherstelwerkplaats. Maas Breeschoten kon later de boerderij van zijn ouders overnemen en zo kwam ook de werkplaats voor fietsen in Jan Willems bezit.
Anna (An) Willemsen werkte in de winkel. Jan Willem werkte in de werkplaats en bezorgde de boodschappen. Nadat tegen de winkel aan ook een woonhuis was gebouwd, konden Jan Willem en Anna trouwen. Toen er hulpmotors op fietsen werden gebouwd, moest Jan Willem weer naar cusus om de benodigde vergunningen te kunnen krijgen. Later kwam de Solex. Ook een benzinepomp werd aan het bedrijf toegevoegd. Daarnaast waren er verschillende dieren: kippen, ganzen, angorakonijnen, schapen, jong rundvee en bijen.
Tenslotte reed Jan Willem taxi met zijn eigen auto, die hij ook wel verhuurde.
De werkplaats van Jan Willem had een plafond van rietmatten. Wekelijks werd deze werkplaats opgeruimd door al het vuil op een hoop te vegen, dit te overgieten met een flinke hoeveelheid benzine en dit alles hierna in brand te steken. Het mag wel een groot wonder genoemd worden dat de werkplaats nooit is afgebrand.

Eens las Willem oom, de krant bij Jan Willem. In de krant stond de verlovingsfoto van Juliana en Bernard. Willem oom bekeek de foto aandachtig en zei: "Uit dit huwelijk geen prins." Jan Willem: "ja, dat zul jij weten". Willem: "Jan, in dit huwelijk géén prins." 
Toen de eerste koninklijke baby werd verwacht, werd er met de mensen uit de werkplaats gewed om een fles jenever. Jan Willem, met in gedachten de voorspelling van Willem oom (je kunt niet weten) zette als enige in op een prinses. 
Beatrix geboorte werd gevierd in de achterkamer en het was nog laat onrustig in de Kraats.

Jan Willem heeft later winkel en werkplaats verkocht en is toen met zijn gezin in Lunteren gaan wonen.

Zoon Evert Evertsen is met zijn vrouw Geertrui (Trui) van Kruistum en kinderen vanuit Barneveld geëmigreerd naar Canada. Hij was loodgieter in Barneveld en heeft de toren van de oude kerk aldaar van nieuwe dakleien voorzien.

update:  16 november 2014

bron: De herkomst van de meeste anekdotes op deze pagina zijn na mondelinge overlevering van Teunis Evertsen aan Gijs Evertsen Teuniszn; conclusies hieraan verbonden door Gijs Evertsen Teuniszn; een aantal andere verhalen is gepubliceerd met dank aan Fiet Meijers-Evertsen.