25-01-06

Geschiedenis familie Evertsen - Generatie VI


boerderij Den Elzenbosch in Otterlo

Teunis Evertsen (geboren 1896) en Willempje van den Brink



Teunis Evertsen werd op 10 november 1896 in Bennekom geboren als zoon en achtste kind van Jan Evertsen en Aartje van Ee.



Teunis trouwde op 14 december 1928 te Wageningen op de leeftijd van 32 jaar met de uit Wageningen afkomstige 24-jarige Willempje van den Brink, dochter van Geurt van den Brink en Geertrui Roseboom.

Het gezin van Teunis Evertsen en Willempje van den Brink woonde op adres Kraats 49, later Rijnsteeg 1 te Bennekom.

De boerderij op dit adres kwam op 13 oktober 1936 officieel in het bezit van Teunis na het overlijden van zijn vader Jan Evertsen. In het bewijs van eigendom wordt het beschreven als "een boerenplaatsje aan de Rijnsteeg onder Bennekom, bestaande uit boerenwoning met schuur en verdere getimmerten, weiland en bouwland, kadastraal bekend Gemeente Bennekom, sectie B, nummer 560, groot 2.26,10 hectaren.

In Bennekom werden in het gezin van Teunis en Willempje 7 kinderen geboren: Jan in 1930, Geurt in 1932, Aartje in 1934, Geertrui in 1935, Hendrik in 1937 en de tweeling Teunisje en (privé) in 1938.

Teunis was van beroep landbouwer op een 4,5 ha. groot land, kuikenbroeder en melkrijder Op het bedrijf was een paard, een aantal koeien, er waren een paar varkens en een hok met kippen.

Als melkrijder reed Teunis voor de melkfabriek “de Hoop “ in Bennekom. Toen hij op 17 december 1928 (drie dagen na zijn huwelijk ) de melk moest ophalen bij de boeren, was het door ijzel zo glad dat hij de melkbussen kruipend op zijn knieën naar de wagen moest brengen en de bussen daar moest optillen. De wagen was door de gladheid nauwelijks op de weg te houden.

Op deze zelfde dag werd bij zijn broer Breunis Evertsen en schoonzus Gerritje van Roekel in Otterlo een zoon geboren die Gijsbert werd genoemd. Deze Gijsbert werd sindsdien de gladde Gijs genoemd.

De in Bennekom geboren kinderen werden allen gedoopt in de Nederlands Hervormde Kerk in Bennekom. Willempje kon het antwoord op de doopbelofte niet geven omdat zij geen belijdend lidmaat was van deze gemeente. Zij was van huis uit een volgeling van Ds. Paauwe en heeft in haar leven de overgang naar de Nederlands Hervormde Kerk uit innerlijke beweging nooit kunnen maken.

Het kerkbezoek van Teunis en Willempje is echter wel steeds naar de Nederlands Hervormde Kerk geweest. Teunis en Willempje gingen trouw naar de kerk maar, zoals begrijpelijk, kwam Willempje na de geboorte van een kind toch wel enige tijd niet in Gods huis en ook niet in haar ouderlijk huis.

De ouders van Willempje waren, als volgelingen van ds. Paauwe, in deze tijd meestal zogenaamde thuislezers. Werd er dan aan moeder Van den Brink-Roseboom verteld dat Willempje weer in de kerk was gezien, dan antwoordde ze blij “dan zal Willempje wel gauw weer eens thuiskomen“. Kort gezegd: de eerste kerkgang was belangrijker dan het eerste bezoek aan het ouderlijk huis.

Toen Willempje in verwachting bleek te zijn van een tweeling, vond de huisarts het beter dat zij hiervan niet zou weten omdat zij zich dan teveel zorgen zou maken. Om toch een uitzet te hebben, die toereikend was voor een tweeling, werd er extra kleding gekocht. Deze werd voorlopig bewaard bij het gezin van Jan Willem Evertsen.

Door de omvangrijke kinderschaar werd de boerderij in Bennekom toch wel wat klein en het beschikbare grondoppervlak te weinig voor een economische voortzetting van dit bedrijf. Omdat er ook geen zorgplicht meer was aan de oude vader, werd er omgezien naar een andere boerderij. Die boerderij werd gevonden in 1939. Het was de nieuw gebouwde boerderij De Elzenbos met ruim 7 hectare grond en oude opstallen, staande in Otterlo aan de Wekeromseweg 12 (nu Barneveldseweg 12).

De oude boerderij Den Elzenbosch was enige jaren daarvoor door brand helemaal verwoest, maar schuur, bakhuis en een kippenhok waren gespaard bleven.

Toen de wagen, waarop de inboedel van de boerderij uit Bennekom stond, in oktober 1939 in Otterlo aankwam vonden de buurkinderen aan de Wekeromseweg dat er wel erg veel klompjes op de wagen stonden.

De broedmachine, die gebruikt werd voor het uitbroeden van de kuikens, was een primitieve machine. Hij werd gestookt met turf, had een temperatuurregeling met kleppen, gestuurd door een bimetaal. Ook was er een luchtvochtigheidregeling door kleppen, gestuurd door een bosje paardenhaar (principe haarhygrometer). Ter controle van de juiste temperatuur en luchtvochtigheid was deze machine ook uitgerust met een natte- en drogebolthermometer.

Het gezin Evertsen woonde nog maar kort in Otterlo toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Het begin van de oorlog werd door hen betrekkelijk rustig beleefd.

Wel werd het gezin opgeschrikt door twee overlijdensgevallen in de naaste familie. 

Op 10 mei 1940, sneuvelde neef Jan Groeneveld, de 21-jarige zoon van Harmijntje Evertsen en Jannis Groeneveld, als dienstplichtig soldaat bij de eenheid 1-1-IV depot bereden artillerie op het vliegveld Valkenburg. In de vroege morgen werd hij vermoedelijk met een patrouille op verkenning uitgestuurd. Jan is uiteindelijk begraven op het militaire ereveld Grebbeberg in Rhenen (rij 9, nr. 18).

Ook kwam neef Pieter Albertus Evertsen, het 7-jarige zoontje van Evert Evertsen en Geertrui van Kruistum, op 18 oktober 1940 te overlijden. Tijdens het plukken van eikels viel hij uit een boom, brak zijn nek en stierf.

Van de Duitse bezetting werd eerst relatief weinig hinder ondervonden. Dit veranderde echter in de loop der jaren toen er een distributie werd ingevoerd van levensbehoeften zoals kleding en voedsel, de avondklok werd ingesteld en de door hen gestelde regels keer opkeer werden verzwaard.

In de oorlogsjaren kregen Teunis en Willempje nog twee kinderen, namelijk Teunis in 1942 en Gijsbert in 1944.

Met negen kinderen waren er heel wat monden te vullen. Hoewel er in het gezin in de oorlogsjaren nooit echt honger is geleden werd er toch wel naar uitgezien om de beschikbare rantsoenen wat aan te vullen. Dit was echter moeilijk omdat het aanwezige vee door de bezetters werd geregistreerd en er een leveringsplicht was van alle beschikbare voedsel en vee.

Toch werd er kans gezien een jong geboren varkentje buiten de registratie te houden, dit vet te mesten en te slachten. Dit slachten werd in de nacht gedaan, zodat het niet kon worden opgemerkt. Een varken slachten, zonder dat het dier een oorverdovend lawaai produceert, is onmogelijk. Dit lawaai werd dan ook in de naaste omgeving gehoord en het was gemeld bij de bezetters, die een dag daarop kwamen informeren wat er toch wel gebeurd was.Juist op het moment dat de agent ter plaatse kwam om poolshoogte te nemen, kwam buurvrouw Jans van de Brink binnenlopen. Zij had natuurlijk ook het geschreeuw gehoord en vroeg aan een van de zoons “zeg jong, had jie zoon kiespien vannacht?“. Dit was blijkbaar een voldoende verklaring want er werd verder geen onderzoek ingesteld.

Ook kwam Teunis bijna zwaar in de problemen toen hem gevraagd was (door blijkbaar de ondergrondse beweging) op huize Roekel een pakketje af te geven. Toen hij aan het gegeven adres aanklopte werd de deur opengedaan door een Duitse S.S.-er. Het genoemde adres was juist deze nacht door de Duitsers ingenomen omdat de bewoners onderdak verleenden aan een ondergrondse groep. Deze Duitse militair pakte het pakket echter niet aan, maar maande Teunis om zo spoedig mogelijk weg te gaan. Het genoemde pakket is later afgegeven bij de heer Van de Vendel aan de Damakkerweg. Enkele dagen hierna werd vernomen dat er in huize Roekel een aantal mensen was gearresteerd en afgevoerd met onbekende bestemming.

Voorafgaand aan de luchtlanding op 17 september 1944 vonden er op en in de omgeving van het vliegveld Deelen zware bombardementen plaats. Deze bombardementen veroorzaakten ook in Otterlo en omgeving zware druk- en geluidsgolven. De drukgolven waren zo sterk dat zij het kelderluik in de woning op en neer deden slaan.

Na de “slag om Arnhem“ werd de omgeving van Otterlo en ook de woning van Teunis en Willempje overspoeld met vluchtelingen en evacués uit Arnhem, Oosterbeek, Renkum en Wageningen. Veel vonden een tijdelijk onderdak bij hen. Het gezin heeft daarbij ook ervaren dat behulpzaamheid ernstig kan worden misbruikt.

In de laatste maanden van de oorlog werd het paard van Teunis Evertsen door de Duitse bezetter gevorderd. Teunis was hierdoor sterk gedupeerd omdat een paard voor het werk niet gemist kon worden. Toen hij dan ook op de 16e april 1945 tijdens het begin van de slag om Otterlo op de Wekeromseweg enkele paarden zag lopen, dacht hij zijn slag te slaan door één van deze paarden te vangen. Groot was zijn schrik toen hij daarop onder vuur werd genomen door een Duitse mitrailleurschutter. Hij liet hierop het paard maar lopen en haastte zich om in veiligheid te komen.

Tijdens deze slag om Otterlo brandden er in Otterlo en omgeving veel boerderijen af. De boerderij De Elzenbos bleef gespaard. Wel verbleven de bewoners in een met strobalen gebouwde schuilkelder.

Op boerderij De Elzenbos stond een flink aantal fruitbomen: kersen, peren, pruimen en appelen. De zure appelen werden gegeten of verwerkt tot appelmoes, de zoete appelen werden voornamelijk gedroogd voor de wintermaanden en opgeslagen in een grote bus. Dat "appeltje voor de dorst" bleek op een keer flink tegen te vallen omdat een van de kinderen zich in de voorbije tijd had getracteerd op elke dag een handjevol gedroogde appeltjes.


Een eettafel, bezet met zestien of meer personen, was in het gezin van Teunis en Willempje geen uitzondering. Ook was het dan wel onrustig aan tafel. Als dit, voor het gevoel van Teunis, uit de hand dreigde te lopen kreeg de veroorzaker van deze onrust de pet van Teunis toegeworpen. Aan de boosdoener was dan de schone taak om de pet terug te brengen, waarop een ernstige toespraak volgde. Voor de kinderen Evertsen was dit een opvoedkundige regel, waar ze bang voor waren.

De oudste kinderen hadden intussen kennisgemaakt met het schoolgaan op de openbare lagere school in Otterlo.



Het hoofd van de school: meester Cees Engelen was een toonbeeld van geduld en pedagogisch talent. Meester Engelen was een hartstochtelijk liefhebber van voetbal en ging met de schooljongens- en meisjes, als het weer het ook maar enigszins toeliet, voetballen. Als de kinderen dan vroegen of hij mee wilde doen, dan zei hij steevast, “nee jongens dat kan niet want ik heb een bot in mijn knie“ wat hem de bijnaam “Kees Knie” opleverde.


Meester Engelen pensioneerde in 1953, maar bleef nog jarenlang als invalmeester aan de school verbonden zodat hij bij ziekte van het andere onderwijzend personeel behulpzaam kon zijn. Zo was hij dan ook nog heel veel op het voetbalveld te vinden als scheidsrechter en liep dan even hard of zelfs nog harder dan de jongens.


Naar deze Meester Engelen is in later jaren in Otterlo een straat vernoemd.


Na de bevrijding van Otterlo en ook van Nederland bleef het leven voor het gezin van menige familie een ook van de familie Evertsen zorgelijk. De distributie werd gehandhaafd, het papieren geld werd ongeldig verklaard, en het tientje van Lieftinck werd ingevoerd.



Vooral de distributie was een groot probleem. Bonnen waren er genoeg, maar nergens waren goederen te krijgen. Vooral kleding en beddegoed was schaars. Hulp vanuit de Verenigde Staten werd ontvangen en Willempje kreeg via mevrouw Folmer uit Otterlo (deze had familie in de VS) een grote partij breikatoen . Deze werden verwerkt tot gebreide onderbroeken en hemden. Deze waren niet erg prettig wat pasvorm en draagcomfort betreft, maar er was simpelweg niets anders.

Op 9 maart 1947 overleed na een droevig ongeval zoon Gijsbert op zijn derde verjaardag. Willempje was op dat moment zeven maanden zwanger van haar tiende kind. Door het verdriet en de slechte conditie kreeg Willempje een zware longontsteking, waaraan zij bijna overleed.

Ook de natuur deed zich gelden. In maart was het zeer koud en in april en mei waren de temperaturen ver boven normaal, een felle oostenwind en heel weinig neerslag. De op meiavond gepote aardappelen lagen vijf dagen later weer open en bloot op het land.

In mei 1947 werd het jongste kind van Teunis en Willempje geboren; hij wordt Gijsbert genoemd.

In de winter van 1952 werd het bedrijf van Teunis Evertsen getroffen door de varkenspest, waarna de varkens geruimd en de stallen ontsmet moesten worden. Dit betekende een flinke verliespost omdat er gedurende een half jaar geen varkens gehouden mochten worden.

De predikant van de Nederlands Hervormde Kerk in Otterlo had, naast zijn traktement, recht op een vergoeding in natura. Deze bestond uit een vracht oude koemest voor de bemesting van zijn groentetuin.

Bij zijn lid worden van de kerk in Otterlo, nam Teunis deze verplichting op zich en bracht jaarlijks een kar vol mest bij de dominee. Dit ritueel werd jaarlijks herhaald, tot aan 1957. Toen gaf dominee Kruishoop aan hier geen behoefte meer aan te hebben omdat hij geen groentetuin wilde houden.



In een advertentie in het streekblad De Nieuwe Holevoet van 24 maart 1964 biedt Teunis Evertsen zijn boerderij te koop aan. De tekst van de advertentie is als volgt: Te koop: boerderij, 4,5 ha. grasland, pracht woonhuis, bev. 2 kamers, keuken, 4 sl. kamers, grote droogzolder, kelder, gelegenheid tot houden van plm. 1200 kippen.



In de zomer van 1964 zijn beiden verhuisd naar de Wekeromsebuurtweg 3 in Wekerom.

Teunis is overleden op de leeftijd van 79 jaar op 29 juni 1976 in het Streekziekenhuis te Bennekom.

Willempje overleed op 82-jarige leeftijd op 8 april 1987 thuis in Wekerom.





update: 16 november 2014



bron: De herkomst van de meeste anekdotes op deze pagina zijn na mondelinge overlevering van Teunis Evertsen aan Gijs Evertsen Teuniszn; conclusies hieraan verbonden door Gijs Evertsen Teuniszn; een aantal andere verhalen is gepubliceerd met dank aan Fiet Meijers-Evertsen.